Nee, geen fruit

“No”, zeg ik en ik probeer serieus te kijken. Hij gebaart weer dat hij een banaan wil en weer zeg ik “no”. Ik moet zeggen dat het me bijna niet lukt om dit vol te houden. Alles in mij zegt dat het niet meer dan normaal is om hem een banaan te geven. Hij heeft honger en hij ziet dat voedzame fruit liggen.

Als mijn kinderen een stuk fruit willen, dan lopen ze naar de fruitschaal. Ze pakken wat ze willen en eten het op. Ze vragen het niet en het komt niet in me op om dat te verbieden. Waarom moet ik deze man verbieden om een banaan te eten? Hij heeft honger. Ik ben geïnstrueerd om niets extra’s te geven en ik snap dat. En tegelijk snap ik er niks van. Geef die man wat meer. Hij heeft honger. Ik vind hem trouwens irritant. Want hij komt nog drie keer terug om het opnieuw te proberen. En elke keer zeg ik “no”.

Ik ben beland bij een voedseluitdeling aan illegale immigranten in Thessaloniki. De kerk waar ik lid van ben heeft een zusterkerk in Thessaloniki en we bezoeken deze kerk en het werk voor vluchtelingen. Thessaloniki ligt aan de Middellandse Zee en er lopen veel mensen rond die proberen Europa in te komen. Jonge mannen met dromen over een andere wereld. Ik kan ze gelukszoekers noemen of economische vluchtelingen. Maar wat zeg ik daarmee? Ze stellen mij een vraag: “Waarom heb jij meer recht op spullen en welvaart dan een ander? Is de plek waar je wieg stond zo bepalend?”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.